– mijn leven (een goedemorgend) –

Ik twijfel. Alles knaagt. De kanker knaagt aan mijn longen. De stress knaagt aan mijn hersenen. Liefde knaagt aan mijn hart. Ik heb zin om het te eindigen. Maar zelfs aan die goesting knaagt iets.

Adieu, wij zullen scheiden,

Hoe kort het ook was,

en wat er eventueel nog zou

(moeten)

komen. Ik kan niet meer denken

aan de voorbije dagen. Zonder de pijn

die mijn hart in twee laat splijten.

Adieu. Adieu. Adieu.

Spoedig zal ik Niets zijn.

Advertenties

Fietsenwielen draaien. Ze gaan nooit kapot, de band verslijt, of word doorprikt. Maar als het wiel goed draait gebeurt er niets. De spaken zullen mooi recht op blijven staan en het draait voor. Zelfs als de band kapot is zal het doordraaien. Ik ben die kapotte band, ik slobber mee met het leven, met de wereld die op zijn steunpilaren staat. Hoewel af en toe een pilaar bijna op het punt staat gebroken te worden – door oorlogen  in het Midden-Oosten bijvoorbeeld.

Ik draai. Ik draaide vandaag weer mee met een routine in het ziekenhuis die voor iedereen normaal lijkt behalve voor de patiënten. Die kijken allemaal een beetje verbaasd en bang. “Wat gaat er met mij gebeuren?”                                                                   Ik denk dat ik vandaag ook zo keek. Ik zat warm aangekleed, met een trui, naar de regen buiten te kijken. Toen werd mijn naam geroepen.

De scan verliep vlot, altijd vreemd als je weet dat die mensen je hele lichaam inspecteren via een schermpje. Onpersoonlijk.

Even later zet ik mij met een koffiekoek en een tas koffie aan mijn wiskunde oefeningen in mijn kamer. Mijn blik dwaalt weeral naar buiten. Het giet. Ik betrap mijzelf op het feit dat ik aan het wegzakken ben, neem een slok koffie en concentreer mij op de oefening. Niets dus. Ik ga naar buiten, drie verdiepingen  met de lift naar beneden. Mensen kuchen. Kijken raar naar mijn kledij. “Sorry, ik moet die ziekenhuisjasje nu eenmaal aandoen.” Ik zet mij buiten op de stoep en doe alsof ik de sigaret rook. Achteraf gooi ik de ongerookte saf weg. Het wordt nat. Mijn haar wordt nat.

Binnen neem ik een nieuwe tas koffie. Luister muziek. Dans wat. Maak een babbeltje. Mevrouw heeft longkanker. Ze zit in de terminale fase. Ik ga nog een keer koffie halen en neem ook voor haar. Ze kijkt mij dankbaar aan. Ik kijk dankbaar terug. We begrijpen elkaar.

Na een eeuwigheid staat Andreas in de deuropening. Helemaal in ziekenhuisuniform. Hij kust me en geeft mij een knuffel. In gedachten zie ik mijzelf al flauwvallen maar ik hou me nog net overeind. Hij zegt dat we mijn uitslag moeten gaan vragen. “Nu al?” “Ja, ik heb gevraagd of ze sneller konden kijken, dan kan je met mij mee naar huis.”

Even later, na veel vijven en zessen kom ik buiten. Opgelucht. Ben ik opgelucht? Rust. Paniek.

Ik heb kanker. Chronisch. 1 op 2 kansen dat ik er door kom.

Andreas glimlacht. “Pluk de kans, schat.”

Als ik naar mijn armen kijk stel ik mij soms voor hoe het bloed in mijn aderen zwart ziet. Daar kruipt het, langzaam, naar alle kanten van mijn lichaam. Ik word misselijk van dit gevoel. Ik weet niet of het van het idee komt of eerder van de bijwerking die de cyclofosfamide -e en chemisch “wondermiddel” – nu eenmaal met zich meebrengt.

Ik weet vaak niet wat ik moet doen. Ik word wakker en lig met mijn ogen open. Tijd staat stil. Een versnelling als ik rechtop ga zitten. Even later word ik wakkergeschud als het alarm van de wekker tot mij doordringt. Oh ja, school.

Ik drink koffie, hoewel ik het niet zou mogen voor mijn lever. But who cares? Ik ben gestopt met alcohol. Niet te veel in één keer. Als ik mijn tas op heb drink ik er nog één. Eet appels. Honderden, Duizenden. Het kraken van de schil als mijn tanden zich in het vlees drukken. Kleine dingen herinneren mij aan het leven waar ik nu toeschouwer van ben. 

Even later zit ik in de klas. Wezenloos. Lachen wanneer de rest lacht. Lachen, doen alsof. Een masker dragen. Mensen zijn bang van maskerloze medewezens. Ik lach vanbuiten. Ik huil vanbinnen.

Thuis krijg ik een hoestaanval. Ik probeer het te verbergen en mijn bebloed zakdoeken te verstoppen in de vuilbak. Gewoon alleen al omdat ik de blik die mijn moeder mij geeft haat. Ze bedoelt het goed. Ik haat het. Ik ga dood. Punt. Medelijden helpt mij niet verder.